Een bv met aanhoudende verliezen hoeft haar dga geen gebruikelijk loon van € 25.000 toe te kennen. Hof Den Haag oordeelt dat uitbetaling van dat loon de continuïteit van de onderneming direct in gevaar zou brengen en stelt het loon vast op € 7.500.
De bv houdt zich bezig met de in- en verkoop en bewerking van edelmetalen. De dga is enig aandeelhouder, bestuurder en werknemer. Voor december 2022 doet de bv aangifte loonheffingen naar een loon van € 48.000, maar betaalt niet. De inspecteur legt een naheffingsaanslag op, later verminderd tot een loon van € 25.000 en een verzuimboete. De rechtbank verlaagt het gebruikelijk loon verder tot € 7.500, omdat de financiële situatie van de bv dat rechtvaardigt. De inspecteur gaat in hoger beroep. In geschil is of de rechtbank het gebruikelijk loon terecht zo ver heeft verlaagd en of ook de boete terecht is verminderd.
Continuïteit onderneming staat centraal
Gerechtshof Den Haag stelt voorop dat het uitgangspunt van artikel 12a Wet LB is dat een dga een gebruikelijk loon geniet. Slechts bij zakelijke redenen kan dat loon lager worden vastgesteld. Volgens het hof volgt uit de wetsgeschiedenis dat een structurele verliessituatie zo’n reden kan zijn, vooral als uitbetaling van het loon de continuïteit van de onderneming in gevaar brengt. Uit de cijfers blijkt dat de bv al jaren zeer beperkte resultaten behaalt, vanaf 2022 verlies lijdt en in 2025 is gestaakt. Het opgebouwde eigen vermogen was nodig voor bedrijfsvoering, zoals voorraden en investeringen. Uitbetaling van € 25.000 zou hebben betekend dat bedrijfsmiddelen of voorraden moesten worden verkocht.
Gebruikelijk loon terecht vastgesteld op € 7.500
Het hof volgt de rechtbank dat onder deze omstandigheden het gebruikelijk loon van € 25.000 te hoog is. Dat er eind 2022 nog geen langdurige verliessituatie bestond, maakt dat niet anders. Ook latere feiten, zoals het aanhouden van verliezen en de uiteindelijke staking, mogen bij de beoordeling worden betrokken. Wel verwerpt het hof het standpunt dat het loon nihil moet zijn, omdat in eerdere jaren nog wel enige winstreserve is opgebouwd. Een vaststelling in goede justitie op € 7.500 acht het hof passend. De verzuimboete wordt terecht overeenkomstig verminderd. Het hoger beroep van de inspecteur is ongegrond.
Wet: art. 12a Wet LB 1964
Bron: Gerechtshof Den Haag, 01-10-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2591, BK-25/28 | NDFR





Geef een reactie