De zoon wordt geen erfgenaam als de voorwaarde uit de tweetrapsmaking al is vervuld bij het overlijden van erflater. Wel blijft bij de legitieme portie van belang dat voorwaarden aan een making de waarde van de verkrijging kunnen drukken.
Een erflater overlijdt in januari 2018 en laat twee kinderen achter: een dochter en een zoon. In zijn testament uit april 2016 benoemt hij beiden tot erfgenamen, ieder voor de helft. Daarbij neemt hij een tweetrapsmaking op. De zoon en de dochter zijn bezwaarden onder ontbindende voorwaarde. Hun kinderen zijn verwachters onder de aansluitende opschortende voorwaarde. Voor de zoon geldt onder meer dat zijn recht eindigt bij faillissement of bij toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. De zoon is al sinds september 2013 failliet. In maart 2018 wordt zijn faillissement opgeheven en wordt de schuldsaneringsregeling uitgesproken. De bewindvoerder vordert een voorschot op de legitieme portie van de zoon. In geschil is of de zoon erfgenaam is en welke waarde in mindering komt op zijn legitieme portie.
Voorwaarde al vervuld bij overlijden
De Hoge Raad oordeelt dat een tweetrapsmaking veronderstelt dat de ontbindende en opschortende voorwaarde op het moment van overlijden nog toekomstig en onzeker zijn. Is de voorwaarde op dat moment al vervuld, dan wordt niet de bezwaarde erfgenaam, maar alleen de verwachter. Omdat de zoon bij het overlijden van erflater al failliet is, is de voorwaarde uit het testament op dat moment al vervuld. Het hof heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat de zoon erfgenaam is geweest. Dat leidt niet tot cassatie, omdat de klacht hierover alleen in het voorwaardelijke incidentele beroep is aangevoerd en de voorwaarde daarvoor niet is vervuld.
Voorwaarde drukt waarde verkrijging
De Hoge Raad merkt verder op dat bij artikel 4:71 BW rekening mag worden gehouden met het waardedrukkende effect van voorwaarden die aan een making zijn verbonden. De legitieme portie is een aanspraak op een deel van de waarde van het vermogen van de erflater. Daarom moet worden bekeken welke waarde de legitimaris al krachtens erfrecht verkrijgt. Als de voorwaardelijkheid van die verkrijging de waarde feitelijk verlaagt, moet dat effect worden meegenomen. Anders wordt afbreuk gedaan aan de aanspraak op de legitieme portie. Omdat de zoon in deze zaak geen erfgenaam is geworden, hebben de klachten van het principale beroep geen belang. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep.
Wet: art. 4:71 BW en art. 4:137 t/m art. 4:141 BW
Bron: Hoge Raad, 29-05-2026, ECLI:NL:HR:2026:813, 25/00771 | NDFR
Basiscursus Estate planning
Exclusief bij Lefebvre Sdu Licent Academy sinds 2011!
In een dag alle aspecten van estate planning!
Estate planning is in de afgelopen jaren een vast onderdeel geworden van de advisering. Bij estate planning spelen primair fiscale, civielrechtelijke en emotionele aspecten een belangrijke rol. De wetgeving en jurisprudentie rondom estate planning is voortdurend in beweging en dat vraagt veel van je als adviseur.
Maak kennis met de estate planning en weet hoe je jouw client civiel en fiscaal bij kunt staan.
In deze basiscursus worden alle relevante aspecten van de estate planning (schenking, huwelijkse voorwaarden, testament, levensverzekeringen, internationaal) vanuit zowel een civielrechtelijk als fiscaal perspectief behandeld.




Geef een reactie