Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat een uitkering uit een lijfrenteproduct belast blijft in box 1. De man maakt niet aannemelijk dat het gaat om een spaarsaldo in box 3.
Een man sluit in 1993 een financieel product af als aanvulling op zijn pensioen. In 2000 wordt dit product beëindigd en wordt de afkoopwaarde gebruikt voor een nieuw product. Vanaf 2009 is de verzekering premievrij, maar de kosten blijven ten laste komen van het beleggingstegoed. In 2020 keert ABN Amro € 41.181 uit en houdt zij € 21.415 loonheffing in. De man geeft de uitkering eerst aan als box 1-inkomen, maar vraagt later om ambtshalve vermindering. Volgens hem is sprake van een spaarsaldo.
Uitkering blijft lijfrente
Het hof stelt dat de man aannemelijk moet maken dat de aanslag IB/PVV 2020 te hoog is. Daarin slaagt hij niet. Uit de stukken blijkt dat hij premies heeft betaald en dat die premies in elk geval deels in aftrek zijn gebracht. De man overlegt geen polis of voorwaarden waaruit blijkt dat sprake is van een gewone spaarrekening of box 3-bezitting. Ook heeft hij de waarde niet eerder als spaartegoed aangegeven. Zijn teleurstelling over de kosten en opbrengst verandert de fiscale kwalificatie niet. De uitkering blijft daarom belast in box 1 en de inspecteur wijst het verzoek om ambtshalve vermindering terecht af.
Wet: art. 1.7, art. 3.100 en art. 3.107a Wet IB 2001
Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 27-05-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1355, 24/1244 | NDFR





Geef een reactie