Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de inspecteur pas via de aangifte vennootschapsbelasting van de bv over de gegevens beschikt die tot navordering leiden. Omdat de inspecteur het dossier van de bv niet hoeft te raadplegen, beschikt hij over een nieuw feit en mag hij over 2018 tot en met 2020 navorderen.
De man houdt sinds 2 december 2003 alle aandelen in een bv en is daarvan ook bestuurder. In het verleden verzekerde hij bij de bv een lijfrenteaanspraak; de uitkeringen daaruit zijn ingegaan op 21 april 2016 en bedragen € 11.182 per jaar. Daarnaast heeft hij een pensioentoezegging van de bv op 22 december 2017 omgezet in een oudedagsverplichting (ODV), met een uitkering van € 40.095 bij aanvang. De man heeft een rekening-courantschuld aan de bv; ultimo 2019 bedraagt de vordering van de bv op hem € 547.354. In zijn aangifte over 2018 neemt hij een ODV-uitkering van € 17.650 op, in 2019 en 2020 geeft hij geen lijfrente- of ODV-uitkering aan. De inspecteur legt over 2018, 2019 en 2020 navorderingsaanslagen IB/PVV op. In geschil is of de inspecteur beschikt over een nieuw feit.
Nieuw feit door vpb-aangifte van de bv
De rechtbank stelt voorop dat de inspecteur bij het opleggen van een aanslag mag uitgaan van de juistheid van de aangifte. Hij is pas tot nader onderzoek gehouden als hij bij normale zorgvuldigheid in redelijkheid aan een gegeven moet twijfelen. Bovendien hoeft hij het dossier van een andere belastingplichtige of van een andere belasting niet te raadplegen, tenzij de eigen gegevens daartoe aanleiding geven. Volgens de rechtbank beschikt de inspecteur pas via de aangifte vennootschapsbelasting van de bv over 2020 over de gegevens die tot de navordering leiden: gegevens uit de jaarrekening over de verrekening van de uitkeringen en over de ODV- en lijfrenteaanspraak. De inspecteur hoeft niet aan de aangiften IB/PVV te twijfelen en beschikt voor elk jaar over een nieuw feit. Aan de vraag of sprake is van een kenbare fout komt de rechtbank niet toe.
Beroep op vertrouwensbeginsel faalt
Als de inspecteur bevoegd is tot navordering, staat niet ter discussie dat hij de aanslagen volgens de wettelijke regels oplegt. De man beroept zich dan op het vertrouwensbeginsel en verwijst naar het Besluit van de Staatssecretaris van 18 maart 2013, omdat volgens hem sprake is van niet voor verwezenlijking vatbare rechten. De rechtbank overweegt dat de man niet duidelijk maakt op welk onderdeel van het Besluit hij zich beroept. Het Besluit ziet bovendien alleen op de vermindering van pensioenaanspraken op de ingangsdatum, kent allerlei voorwaarden en wordt alleen op voorafgaand verzoek toegepast. De rechtbank ziet dan ook geen gewekt vertrouwen. De beroepen zijn ongegrond: de navorderingsaanslagen, de belastingrente en de revisierente over 2020 blijven in stand.
Wet: Artikel 16 – Algemene wet inzake rijksbelastingen | NDFR en Artikel 30i – Algemene wet inzake rijksbelastingen | NDFR





Geef een reactie