De Hoge Raad oordeelt dat een lumpsum wegens blijvende invaliditeit van Europol onder de interne belastingheffing valt. Daardoor is Nederland niet bevoegd om hierover inkomstenbelasting te heffen.
Een man is van augustus 2000 tot februari 2002 werkzaam bij Europol. In 2001 krijgt hij tijdens zijn dienstverband twee dienstongevallen, waarna hij blijvend letsel overhoudt. In 2012 kent Europol hem op grond van artikel 57 van het personeelsstatuut een eenmalige uitkering toe van ruim € 170.000, vermeerderd met rente. Europol houdt hierover geen interne belasting in en wijst de man erop dat hij zich voor de nationale fiscale behandeling tot de inspecteur moet wenden. De man neemt de uitkering niet op in zijn aangifte ib/pvv 2012. De inspecteur legt daarom een navorderingsaanslag ib/pvv 2012 op en rekent de uitkering tot het inkomen uit werk en woning. In geschil is of deze Europol-uitkering onder de Nederlandse inkomstenbelasting valt.
Geen gebondenheid aan uitlatingen Europol
De Hoge Raad stelt voorop dat uitlatingen van Europol over de fiscale behandeling niet bindend zijn voor de Nederlandse rechter. Die uitlatingen zijn informatief van aard en zien niet op het vaststellen van de rechtspositie of arbeidsvoorwaarden van personeelsleden. Ook volgt uit het Europol-statuut of het belastingaanhangsel niet dat Europol bevoegd is om bindende uitleg te geven over de toepasselijke regels. De Hoge Raad beoordeelt daarom zelfstandig of de uitkering is onderworpen aan de interne belastingheffing van Europol.
Lumpsum valt onder interne heffing Europol
Volgens de Hoge Raad moet het begrip salarissen en emolumenten ruim worden uitgelegd. Vergoedingen wegens beroepsziekte of ongeval maken deel uit van de bruto heffingsgrondslag van de interne belastingheffing van Europol, ook al worden zij per saldo weer afgetrokken. Dat de man ten tijde van uitbetaling geen actief personeelslid meer is, doet daar niet aan af. Onder zowel het oude regime als het sinds 2010 geldende Protocol nr. 7 is de uitkering daarom onderworpen aan de interne heffing. Daarmee is zij op grond van het protocol vrijgesteld van Nederlandse inkomstenbelasting. Het cassatieberoep van de staatssecretaris faalt.
Bron: de Hoge Raad, 6 februari 2026 (gepubliceerd 6 februari 2026), ECLI:NL:HR:2026:206, 21/04628





Geef een reactie