Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch oordeelt dat de aandelenverkoop niet onder normale omstandigheden tot stand is gekomen. De waarde van de overgenomen rekening-courantschuld wordt in goede justitie vastgesteld op €49.000.
Een man houdt sinds 2000 alle aandelen in een bv die zich bezighoudt met het leggen van rioleringen en pijpleidingen. In 2017 wordt hij voor 94% arbeidsongeschikt verklaard en hij besluit de bv te verkopen. In 2019 verkoopt hij de aandelen voor € 5.000 aan een koper, die daarbij ook de rekening-courantschuld van de man aan de bv van € 287.419 overneemt. De inspecteur legt een navorderingsaanslag ib/pvv 2019 op en berekent het vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang op € 274.268, door de verkoopprijs te verhogen met de overgenomen rekening-courantschuld. In geschil is of de navorderingsaanslag tot een te hoog bedrag is opgelegd.
Geen normale omstandigheden bij aandelenoverdracht
Het hof oordeelt dat sprake is van een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst. De accountant taxeerde de waarde van de aandelen op circa €15.000 op basis van alleen de materiële vaste activa, zonder de winstreserves van € 253.236 en de rekening-courantvordering mee te nemen. De overeengekomen overdrachtsprijs van € 5.000 kan daarom niet als uitgangspunt dienen. Als tegenprestatie geldt de waarde in het economisch verkeer van de aandelen ten tijde van de vervreemding, zodat ook de waarde van de overgenomen rekening-courantschuld in aanmerking moet worden genomen.
Waarde rc-schuld vastgesteld op € 49.000
De inspecteur heeft de rekening-courantschuld als volwaardig aangemerkt, maar het hof volgt dit standpunt niet. De schuld was niet opeisbaar, er was geen rente verschuldigd en er waren geen zekerheden gesteld. Gelet op de leeftijd, gezondheidsbeperkingen en privéomstandigheden van de man acht het hof aflossing vanuit inkomen niet aannemelijk. Tegelijkertijd is de waarde niet nihil, omdat de man beschikte over een eigen woning met een overwaarde van € 49.000. Het hof stelt de waarde van de rekening-courantschuld in goede justitie vast op € 49.000. Het vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang bedraagt daarmee € 35.849. Het hoger beroep is gegrond.
Wet: art. 4.12 en art. 4.19 Wet IB 2001
Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 25-03-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:807, 24/498 | NDFR
GenIA-L jurisprundentieonderzoek
Vind en analyseer relevante rechtspraak in minuten. Een uitspraak van vandaag is vanaf morgen te vinden in GenIA-L!





Geef een reactie