Een fiscale eenheid heeft bij niet-betaling van toestelkrediet alleen recht op btw-teruggaaf als contractueel vaststaat dat de niet-betaalde termijnen rechtstreeks verband houden met de levering van het telefoontoestel. De Hoge Raad vernietigt de hofuitspraak en verwijst de zaak naar Hof Amsterdam.
Een fiscale eenheid in de telecommunicatiesector verkoopt via [A] bv telefoonabonnementen en telefoontoestellen aan consumenten. Consumenten kunnen het toestel financieren met een toestelkrediet van [B] bv, een andere vennootschap binnen dezelfde fiscale eenheid. Wanneer consumenten de maandelijkse aflossingstermijnen niet betalen, brengt de fiscale eenheid de daarin begrepen omzetbelasting in mindering op haar btw-aangiften over het eerste en het derde kwartaal van 2018. Over het vierde kwartaal verzoekt zij de inspecteur om teruggaaf. De inspecteur weigert dit, omdat de niet-betaalde termijnen zijns inziens geen verband houden met de levering van de telefoontoestellen door [A] bv, maar met het krediet van [B] bv. Het geschil betreft de vraag of de fiscale eenheid recht heeft op de gevraagde btw-teruggaaf.
Contractueel verband doorslaggevend
Gerechtshof Den Haag had geoordeeld dat vanwege de fiscale eenheid geen onderscheid gemaakt hoeft te worden tussen [A] bv en [B] bv, en dat het verband tussen de niet-betaalde termijnen en de levering van het toestel vooral economisch en financieel beoordeeld moet worden. De Hoge Raad verwerpt dit oordeel. Ook binnen een fiscale eenheid moet voor toepassing van art. 29, lid 1, Wet OB 1968 een rechtstreeks verband bestaan tussen de niet-betaalde vergoeding en de prestatie waarvoor die vergoeding de tegenwaarde vormt. Dat verband moet worden vastgesteld op basis van de contractuele betrekkingen die de afzonderlijke leden van de fiscale eenheid met derden zijn aangegaan. Uit die contractuele betrekking moet volgen waarvoor of waarom de afnemer gehouden is te betalen. De stelplicht en bewijslast rusten daarbij op de fiscale eenheid.
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof en verwijst de zaak naar Hof Amsterdam voor verdere behandeling. Dat hof moet onderzoeken of de fiscale eenheid aannemelijk heeft gemaakt dat de maandelijkse aflossingstermijnen contractueel de vergoeding betreffen ter zake van de levering van het telefoontoestel. Alleen als dat verband vaststaat, is sprake van een situatie waarbij de Belastingdienst meer omzetbelasting heeft ontvangen dan de fiscale eenheid van de consument heeft geïnd, en is toepassing van art. 29, lid 1, Wet OB 1968 gerechtvaardigd.
Wet: art. 7, art. 8 en art. 29 Wet op de omzetbelasting 1968
Bron: Hoge Raad, 24-04-2026, ECLI:NL:HR:2026:713, 23/03058 | NDFR





Geef een reactie