Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de man voldoende betrokken is bij de SPF, zijn vennootschap en de deelnemingen om de gevraagde administraties te kunnen opvragen. De informatiebeschikkingen voor 2009, 2010 en 2011 blijven daarom in stand.
Een man woont tot 3 december 2004 in Nederland, daarna in het buitenland en keert op 7 januari 2009 terug naar Nederland. Hij is betrokken bij een naar buitenlands recht opgerichte Stichting Particulier Fonds (SPF). De SPF houdt deelnemingen in buitenlandse vennootschappen die indirect actief zijn in online kansspelen. In 2009 schenkt de SPF haar deelnemingen aan een vennootschap waarvan de man alle aandelen houdt. De inspecteur vraagt in 2015 en 2016 om administraties van de SPF, de vennootschap en de deelnemingen, onder meer voor de beoordeling van de fiscale transparantie van de SPF, box 2 en box 3. De man stelt dat hij niet over die stukken kan beschikken. In geschil is of de inspecteur terecht informatiebeschikkingen voor de jaren 2009, 2010 en 2011 heeft afgegeven.
Inspanningsverplichting niet vervuld
Het hof stelt voorop dat de gevraagde gegevens van belang kunnen zijn voor de belastingheffing van de man. Daarmee ontstaat de informatieverplichting van art. 47 AWR. Dat de inspecteur mogelijk ook via andere procedures over stukken beschikt, neemt die verplichting niet weg. Het hof beoordeelt vervolgens of de man alle redelijkerwijs te verlangen maatregelen heeft getroffen om de gevraagde informatie te verkrijgen. Dat is volgens het hof niet het geval. De man is oprichter/insteller, begunstigde en toezichthouder van de SPF. Ook is hij enig aandeelhouder van de vennootschap waaraan de SPF de deelnemingen heeft geschonken. Gelet op die positie en de omvang van het vermogen acht het hof aannemelijk dat hij over jaarlijkse rapportages en administraties kon beschikken.
Box 3-verzoek is voldoende duidelijk
Ook voor de administraties van de deelnemingen kan de man zich volgens het hof niet verschuilen achter het ontbreken van feitelijke beschikking. Hij heeft belang bij en betrokkenheid bij deze deelnemingen en levert geen noemenswaardige inspanningen om de administraties te krijgen. Het verzoek om specificaties van het box 3-vermogen over 2010, 2011 en 2012 is bovendien voldoende duidelijk. De inspecteur hoeft daarover geen nadere opheldering te geven. Het hof bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en laat de informatiebeschikkingen in stand.
Wet: art. 47 en art. 52a AWR
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28-04-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:2718, 19/782 en 19/784 | NDFR





Geef een reactie