De Hoge Raad oordeelt dat het niet stoppen van het geautomatiseerde proces bij het opleggen van de primitieve aanslag een fout in de ruime en neutrale zin van art. 16, lid 2, letter c AWR is. Omdat de te weinig geheven belasting meer dan 30% bedraagt, is de fout kenbaar en mag de inspecteur navorderen.
Een man is tot 2016 enig aandeelhouder van een holding-bv, die op haar beurt alle aandelen houdt in een dochtervennootschap. In 2016 vervreemdt hij de aandelen in de holding voor € 604.000, waarbij de koper de koopprijs schuldig blijft. De man krijgt uitstel voor het doen van zijn aangifte IB/PVV 2016. Via zijn gemachtigde vraagt hij de inspecteur in augustus 2018 om een standpuntbepaling over de vervreemding en stelt hij een vervreemdingsvoordeel van € 501.000 voor. De inspecteur gaat daar in september 2018 mee akkoord. Toch dient de man nooit een aangifte in. In januari 2019 legt de inspecteur ambtshalve een primitieve aanslag over 2016 op zonder het voordeel uit aanmerkelijk belang, doordat de aanslagregelend ambtenaar geen behandelvoornemen in het systeem heeft opgenomen. In juni 2020 legt de inspecteur een navorderingsaanslag op. In geschil is of hij dat mag op grond van een kenbare fout.
Hof merkt fout aan als beoordelingsfout
Hof Den Haag oordeelt dat de inspecteur bij het opleggen van de primitieve aanslag een fout heeft gemaakt in de ruime en neutrale zin van het woord. Volgens het hof gaat het echter om een verwijtbaar onjuist inzicht in de feiten die bepalend zijn voor de belastingplicht. De aanslagregelend ambtenaar heeft nagelaten kennis te nemen van de bij de Belastingdienst aanwezige informatie over de vervreemding van de aandelen en heeft daardoor niet onderkend dat die zich had voorgedaan. Bij een zorgvuldige dossiervorming en -raadpleging was dat niet gebeurd. Dat weinig tijd is ingeruimd voor ambtshalve aanslagen komt volgens het hof voor rekening van de Belastingdienst. Er is dus sprake van een beoordelingsfout die aan navordering op grond van art. 16, lid 2, letter c AWR in de weg staat. Wel acht het hof de man te kwader trouw, zodat navordering op grond van art. 16, lid 1 AWR mogelijk is.
Nalaten is fout, geen onjuist inzicht
De Hoge Raad stelt voorop dat het begrip fout in art. 16, lid 2, letter c AWR neutraal en ruim is bedoeld. Daaronder valt elke misslag bij de aanslagregeling, zoals schrijf-, reken- en intoetsfouten, maar ook fouten door de geautomatiseerde verwerking van aangiften, als de belastingschuld daardoor te laag wordt vastgesteld. Dat de ambtenaar heeft nagelaten een behandelvoornemen op te nemen, is zo’n fout en geen verwijtbaar onjuist inzicht in de feiten. Bepalend is het moment waarop het geautomatiseerde proces niet is gestopt. Dat bij de aanslag geen kennis is genomen van de akkoordverklaring over de vervreemdingswinst, doet er dan niet toe. De primitieve aanslag is dus te laag vastgesteld door een fout die navordering rechtvaardigt. Het incidentele beroep van de staatssecretaris slaagt en het principale beroep van de man is ongegrond, zodat de navorderingsaanslag in stand blijft.
Wet: art. 16, lid 1 en art. 16, lid 2, aanhef en letter c AWR Artikel 16 – Algemene wet inzake rijksbelastingen | NDFR
Bron: Hoge Raad 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1296, 23/03413





Geef een reactie