Hof Den Haag oordeelt dat een verlies door investering in een niet-bestaande handelsbot niet aftrekbaar is in box 1. Er ontbreekt een objectieve voordeelsverwachting.
De man drijft in 2022 een eenmanszaak met als activiteiten zorg, coaching, training, therapie en muziek, en biedt onder meer cursussen aan. Via zijn netwerk leert hij A kennen, die hij uitnodigt als spreker op een van zijn bijeenkomsten. De man heeft een opleiding blockchain professional gevolgd en investeert in tranches in een handelsbot van A. De bot blijkt niet te bestaan; A wordt door rechtbank Rotterdam veroordeeld voor oplichting. In een herziene aangifte IB/PVV 2022 trekt de man € 60.871 aan kosten af in box 1. De inspecteur weigert die aftrek, omdat de handelsbot geen bron van inkomen vormt. In hoger beroep is in geschil of de investeringen een bron van inkomen zijn, en in het bijzonder of een objectieve voordeelsverwachting bestaat.
Geen objectieve voordeelsverwachting
Voor een bron van inkomen moet zijn voldaan aan drie voorwaarden: deelname aan het economische verkeer, het subjectief beogen van geldelijk voordeel en een objectief redelijkerwijs te verwachten voordeel. De eerste twee zijn niet in geschil, zodat alleen de objectieve voordeelsverwachting resteert. Hof Den Haag oordeelt dat de man die niet aannemelijk maakt. Doorslaggevend is dat hij, ook na herhaald vragen, op geen enkele wijze inzicht heeft gekregen in de werking van de bot. De overtuigende maar ongefundeerde beweringen van A, en het feit dat ook 65 anderen zijn opgelicht, maken niet dat naar objectieve maatstaven redelijkerwijs een voordeel kon worden verwacht.
Geen verband met de onderneming
De man stelt verder dat de investeringen samenhangen met zijn onderneming, omdat hij kennis over crypto wilde opdoen om daarover cursussen te ontwikkelen. Het hof verwerpt die stelling, omdat de man dit verband niet aannemelijk maakt en evenmin onderbouwt dat hij heeft geïnvesteerd met tot het ondernemingsvermogen behorende middelen. De kosten van € 60.871 kunnen daarom niet in box 1 in aftrek worden gebracht. Het hoger beroep is ongegrond en het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Wet: art. 3.8 en art. 3.90 Wet IB 2001
Bron: Gerechtshof Den Haag, 13-05-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:1598, BK-25/701 | NDFR





Geef een reactie