Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat de bedrijfsopvolgingsvrijstelling ook geldt voor een man die certificaten van aandelen in een vastgoed-bv geschonken krijgt, ook al krijgt hij daarmee niet de volledige zeggenschap over de onderneming. Voor de vrijstelling is volledige zeggenschap geen vereiste.
Een vader is enig aandeelhouder van een bv die via dochtervennootschappen vastgoed exploiteert. In 2012 richt hij een stichting administratiekantoor (STAK) op, die alle aandelen in de bv verwerft tegen uitgifte van certificaten aan de vader. Op 26 januari 2017 schenkt de vader alle certificaten aan zijn zoon. Zoon en bv beroepen zich bij de aangifte overdrachtsbelasting op de bedrijfsopvolgingsvrijstelling. De inspecteur weigert de vrijstelling en legt een naheffingsaanslag op van €3.572.785. In geschil is of de vrijstelling van toepassing is nu de zoon door de certificering niet de volledige zeggenschap over de bv en haar onderneming krijgt.
Geen zeggenschapsvereiste
Het hof stelt vast dat de vrijstelling ook geldt bij verkrijging van economische eigendom, zoals bij certificaten het geval is. Uit de wettekst, de wetsgeschiedenis of de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt nergens een vereiste dat de verkrijger na de schenking volledige zeggenschap over de onderneming moet krijgen. Een eerdere uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden die dit wel eiste, is door de Hoge Raad niet overgenomen.
Certificaten gelijk aan aandelen
Certificaten van aandelen worden gelijkgesteld met de aandelen zelf als het economische belang bij de certificaathouder ligt. Het voortzettingsvereiste houdt in dat geval in dat de zoon het volledige economische belang bij de onderneming behoudt en dat de onderneming niet mag worden gestaakt; aan zeggenschap wordt geen aparte eis gesteld. Het hoger beroep is ongegrond en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Wet: art. 4 en art. 15, eerste lid, onderdeel b, WBR
Bron: Gerechtshof Amsterdam, 28-05-2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1492, 25/00677 | NDFR





Geef een reactie