De Kennisgroep IBR Vpb & winst heeft de vraag beantwoord of het Unierecht zich verzet tegen de toepassing van artikel 4, derde lid, onderdeel b, Wet op de dividendbelasting 1965 op grond waarvan de inhoudingsvrijstelling buiten toepassing blijft op een buitenlandse collectieve beleggingsinstelling die een vergelijkbare functie vervult als een fiscale beleggingsinstelling.
Dit standpunt is een vervolg op standpunt KG:024:2025:7 van de kennisgroep dividendbelasting en bronbelasting.
Een in een andere lidstaat van de EU gevestigd lichaam X belegt indirect, via een in Nederland gevestigd lichaam, in Nederlands vastgoed. Daarnaast belegt X ook direct in Nederlands vastgoed. Het Nederlandse lichaam wil een opbrengst aan X ter beschikking te stellen en op basis van artikel 4, tweede lid, van de Wet DB 1965 op deze opbrengst de inhouding van dividendbelasting achterwege te laten.
Volgens artikel 4, derde lid, onderdeel b, Wet DB 1965 is de inhoudingsvrijstelling niet van toepassing als X een vergelijkbare functie vervult als een fiscale beleggingsinstelling (fbi) als bedoeld in artikel 28 van de Wet Vpb 1969 of een vrijgestelde beleggingsinstelling (vbi).
Met ingang van 1 januari 2025 mag een fbi niet langer rechtsreeks beleggen in Nederlands vastgoed.
De KG DB concludeert in standpunt KG:024:2025:7 dat X geen recht heeft op de inhoudingsvrijstelling omdat X een vergelijkbare functie vervult als een fbi. X beheert namelijk als intermediair vermogen van beleggers ter collectieve belegging. Daarnaast is X in het land van vestiging onderworpen aan een belastingregime dat als doel heeft om collectief beleggen van vermogen fiscaal neutraal te laten plaatsvinden.
Aansluitend neemt de KG DB het standpunt in dat het feit dat X zowel direct als indirect belegt in Nederlands vastgoed niet verhindert dat X een vergelijkbare functie vervult als een fbi.
X is van mening dat het Unierecht (de vrijheid van kapitaalverkeer) zich in haar geval verzet tegen de toepassing van artikel 4, derde lid, onderdeel b, Wet DB 1965. X stelt dat zij objectief vergelijkbaar is met een in Nederland gevestigd, regulier Vpb-plichtig lichaam. In dat verband wijst zij op het feit dat een fbi niet rechtstreeks mag beleggen in Nederlands vastgoed.
Naast de in standpunt KG:024:2025:7 vermelde feiten is nog het volgende van belang. X is een contractueel beleggingsfonds waarin een groot aantal (particuliere) participanten deelneemt.
De rechtsvorm van X wordt niet genoemd in bijlage I, deel A, van de Moeder-dochterrichtlijn, Richtlijn 2011/96/EU, laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2015/121 (MDR).
Vragen
- Verzet de vrijheid van kapitaalverkeer zich in de situatie van X tegen de toepassing van artikel 4, derde lid, onderdeel b, Wet DB 1965?
- Maakt het voor het antwoord verschil dat een fbi niet rechtstreeks mag beleggen in Nederlands vastgoed?
Antwoorden
- Nee, de vrijheid van kapitaalverkeer verzet zich in de situatie waarin X verkeert niet tegen de toepassing van artikel 4, derde lid, onderdeel b, Wet DB 1965.
X is niet objectief vergelijkbaar met een in Nederland gevestigd, regulier Vpb-plichtig lichaam, maar met een fbi. Zij is in het land van vestiging namelijk onderworpen aan een belastingregime dat, evenals het fbi-regime, als doel heeft om collectief beleggen van vermogen fiscaal neutraal te laten plaatsvinden. - Aan deze conclusie doet niet af dat een in Nederland gevestigde fbi niet rechtstreeks mag beleggen in Nederlands vastgoed.





Geef een reactie