Het hof oordeelt dat de gebruikelijkloonregeling terecht is toegepast. De bv maakt niet aannemelijk dat een lager loon of een structurele verliessituatie bestaat.
Een bv die onroerend goed verhuurt is opgericht op 22 september 2017. De dga verricht werkzaamheden zoals het sluiten van huur- en koopovereenkomsten. De bv dient geen aangiften loonheffingen in en verantwoordt geen gebruikelijk loon. Wel ontvangt de dga loon via een payrollbedrijf, maar dit wordt niet doorbelast aan de bv. Na een boekenonderzoek legt de inspecteur een naheffingsaanslag loonheffingen op over 2017 en 2018, gebaseerd op een (deeltijd)gebruikelijk loon. In geschil is of deze correctie terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.
Geen lager gebruikelijk loon aannemelijk
Het hof sluit aan bij het oordeel van Rechtbank Noord-Holland dat de bv niet aannemelijk maakt dat een lager gebruikelijk loon geldt. De enkele stelling dat via een payrollbedrijf loon is betaald, is onvoldoende onderbouwd. Ook het beroep op een verliessituatie faalt. De bv onderbouwt haar cijfers onvoldoende en de overgelegde aangiften vennootschapsbelasting bevatten onwaarschijnlijke posten, zoals kosten die vrijwel gelijk zijn aan de omzet. Bovendien laten latere jaren juist oplopende omzetten zien. Daarom blijft het (naar rato toegepaste) normbedrag van art. 12a Wet LB 1964 in stand.
Naheffing blijft, boete verder verlaagd
De loonheffingen zijn terecht nageheven over het gebruikelijk loon van € 5.625 (2017) en € 22.500 (2018). Het hof ziet geen reden om hiervan af te wijken. De vergrijpboete wegens grove schuld blijft in stand, maar wordt verder gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. De boete wordt daarom verlaagd tot € 2.641.
Wet: art. 12a Wet LB 1964 en art. 4 Wet LB 1964
Bron: Gerechtshof Amsterdam, 21-10-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3817, 23/486 | NDFR
GenIA-L jurisprundentieonderzoek
Vind en analyseer relevante rechtspraak in minuten. Een uitspraak van vandaag is vanaf morgen te vinden in GenIA-L!





Geef een reactie