Rechtbank Den Haag oordeelt dat een proceskostenvergoeding aan een voormalige werkgever geen negatief loon is. De betaling houdt onvoldoende rechtstreeks verband met de vroegere dienstbetrekking.
Een man is op 29 mei 2012 op staande voet ontslagen. Zijn voormalige werkgever stelt hem aansprakelijk voor schade die hij tijdens zijn dienstbetrekking zou hebben veroorzaakt. De civiele kamer veroordeelt de man op 7 juni 2017 tot betaling van schadevergoedingen en proceskosten. In zijn aangifte ib/pvv 2020 trekt de man de proceskostenvergoeding af als negatief loon. De inspecteur accepteert die aftrek niet. In geschil is of de proceskostenvergoeding als negatief loon in aanmerking komt.
Proceskosten geen loonverband
De rechtbank oordeelt dat voor negatief loon een causaal verband nodig is tussen de betaling en de dienstbetrekking. Dat verband ontbreekt. De proceskostenvergoeding ziet niet op schade die de man tijdens zijn werkzaamheden heeft veroorzaakt, maar op kosten van de civiele procedure, zoals griffierecht, beslagkosten en advocaatkosten. Dat die procedure samenhangt met de vroegere dienstbetrekking, is onvoldoende. De betaling vindt niet geheel en rechtstreeks haar oorzaak in die dienstbetrekking.
Ook als de proceskostenvergoeding wel negatief loon zou zijn, kan de man die niet in 2020 aftrekken. De betaling heeft namelijk in 2018 plaatsgevonden. Het latere oordeel van het hof in een eerdere fiscale procedure maakt dat niet anders. Het beroep is ongegrond.
Wet: art. 3.81 en art. 3.146 Wet IB 2001 en art. 10 Wet LB 1964
Bron: Rechtbank Den Haag, 17-03-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:5726, AWB – 25 _ 819 | NDFR





Geef een reactie