Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de kosten voor personal training en een sportschoolabonnement van de dga onder de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen vallen. Dat geldt alleen voor de dga zelf en niet voor het abonnement van zijn partner, die geen werknemer is.
Een man is sinds 25 maart 2010 directeur en enig aandeelhouder (dga) van een bv en daarvan de enige werknemer. De bv houdt een belang van 51% in een andere bv, waar de echtgenote van de dga in dienst is. De activiteiten van de bv bestaan uit beheer- en managementwerkzaamheden voor die deelneming, een groothandel in kunstschildersbenodigdheden. Na een boekenonderzoek legt de inspecteur over de tijdvakken in de periode 2018 tot en met 2020 een naheffingsaanslag loonheffingen op van € 21.345, met een correctie voor de kosten van personal training en sportschoolabonnementen. Daarbij komen een verzuimboete van € 2.133 en belastingrente. In geschil is of het verstrekken of vergoeden van deze kosten als gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen kan worden aangemerkt.
Ruime vrijstelling, maar niet voor partner
De inspecteur stelt dat een dga een zelfstandige is en geen werknemer, zodat artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet niet geldt. De rechtbank oordeelt echter dat tussen de bv en de dga wel een gezagsverhouding bestaat, zodat dit artikel van toepassing is; of materieel sprake is van een gezagsverhouding doet niet ter zake. Onder verwijzing naar een conclusie van de advocaat-generaal oordeelt de rechtbank dat het direct-verbandcriterium niet meer geldt en dat geen direct verband met de preventie van ziekteverzuim nodig is. De vrijstelling is ruim, waardoor ook personal training en het sportschoolabonnement van de dga eronder vallen. De kosten voor zijn partner vallen er niet onder, omdat zij geen werknemer van de bv is. Ook het standpunt dat niet aan de gebruikelijkheidstoets is voldaan, slaagt niet: de inspecteur kan dit niet met data onderbouwen.
De rechtbank concludeert dat de inspecteur ten onrechte heeft nageheven over de kosten voor de dga, maar terecht over het familieabonnement. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar.
Wet: art. 31, eerste lid, onderdeel f Wet LB 1964 en art. 8.4a Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 04-06-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:4935, BRE 24/8300 | NDFR





Geef een reactie