De Kennisgroep loonheffing algemeen heeft een standpunt ingenomen naar aanleiding van de vraag of een werkgever de gerichte vrijstelling voor scholingskosten kan toepassen op een studietoelage aan het kind van de werknemer.
Een werkgever heeft een zelfstandig recht op een studietoelage toegekend aan de kinderen van zijn werknemers. De werkgever betaalt de toelage rechtstreeks uit aan het kind. De toelage bestaat uit twee onderdelen:
- Een eenmalige jaarlijkse toelage voor ondersteuning in de betaling van het wettelijke lesgeld of collegegeld;
- Een maandelijkse toelage als bijdrage in andere studie- of opleidingskosten.
De hoogte van de toelage is afhankelijk van het onderwijs dat de kinderen volgen en het dienstverband van de werknemer. Te veel eigen inkomen bij het kind leidt tot verlies van de aanspraak op de toelage. De kinderen ontvangen de toelage alleen als ze een betalingsbewijs (hoger onderwijs) of inschrijvingsbewijs (lager onderwijs) aanleveren.
Vraag
Kan de werkgever de gerichte vrijstelling voor scholingskosten op grond van artikel 31, eerste lid, onderdeel g, onder 2º, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964) toepassen op de studietoelage?
Antwoord
Nee. Artikel 31, eerste lid, onderdeel g, onder 2º, Wet LB 1964 is niet van toepassing, omdat geen sprake is van vroegere arbeid; het kind is immers geen postactieve werknemer. Bovendien is dit artikel volgens de wetsgeschiedenis niet bedoeld voor scholingskosten van kinderen van werknemers.





Geef een reactie