De Kennisgroep formeel recht heeft vragen beantwoord over de reikwijdte van artikel 30ha, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Casus 1
Belastingplichtige is over het tijdvak vierde kwartaal 2023 uitgenodigd om aangifte omzetbelasting te doen, uiterlijk in te dienen op 31 januari 2024. Belastingplichtige dient op 10 januari 2024 – via een aangifte tot een negatief bedrag – tijdig een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting als bedoeld in artikel 31, eerste lid, Wet OB 1968) van € 100.000 in. De inspecteur wijst het verzoek om teruggaaf van omzetbelasting (gedeeltelijk) af door middel van het vaststellen van een (voor bezwaar vatbare) teruggaafbeschikking van € 20.000, met dagtekening 1 februari 2024. Belastingplichtige maakt daartegen op 8 april 2024 bezwaar. Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 18 mei 2024 verklaart de inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Tevens kwalificeert hij het te late bezwaar als een verzoek om ambtshalve teruggaaf op grond van paragraaf 23, zevend lid, onderdeel c, Besluit Fiscaal Bestuursrecht en verleent hij ambtshalve alsnog een (aanvullende) teruggaaf van omzetbelasting van € 80.000.
Casus 2
Belastingplichtige is over het tijdvak vierde kwartaal 2023 uitgenodigd om aangifte omzetbelasting te doen, uiterlijk op 31 januari 2024. Belastingplichtige dient op 10 april 2024, buiten de wettelijke (aangifte)termijn, een aangifte in over het betreffende tijdvak. Belastingplichtige verzoekt daarbij als bedoeld in artikel 31 Wet OB 1968 om een teruggaaf van omzetbelasting van € 100.000. De inspecteur wijst het teruggaafverzoek af wegens niet-tijdigheid en stelt vervolgens met dagtekening 5 juni 2024 op grond van paragraaf 23, zevende lid, onderdeel c, BFB ambtshalve een teruggaafbeschikking vast naar een bedrag van € 20.000. Tegen deze beslissing komt belastingplichtige op 1 augustus 2024 in bezwaar. De inspecteur verklaart dit bezwaar met dagtekening 12 september 2024 niet-ontvankelijk en verleent ambtshalve alsnog een (aanvullende) teruggaaf van omzetbelasting van € 80.000.
De inspecteur vraagt zich in beide gevallen af of hij op grond van artikel 30ha, derde lid, AWRbelastingrente moet vergoeden.
Vragen
- Is artikel 30ha, derde lid, van de AWR van toepassing indien de inspecteur, nadat hij een tijdig verzoek om teruggaaf van omzetbelasting geheel of gedeeltelijk heeft afgewezen, op een later tijdstip alsnog geheel of gedeeltelijk ambtshalve teruggaaf van omzetbelasting verleent?
- Is artikel 30ha, derde lid, van de AWR van toepassing indien de inspecteur, nadat hij ambtshalve niet of slechts gedeeltelijk tegemoet is gekomen aan een buiten de wettelijke termijn ingediend verzoek om teruggaaf van omzetbelasting, op een later tijdstip alsnog geheel of gedeeltelijk ambtshalve teruggaaf verleent?
Antwoorden
- Nee
- Nee





Geef een reactie