Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de erven niet aannemelijk maken dat de effecten en de leningen aan derden als ondernemingsvermogen gelden voor de doorschuiffaciliteit bij overlijden.
Een man overlijdt op 21 december 2020. Zijn twee zoons erven alle aandelen in een holding en zetten de activiteiten voort. In de herziene aangifte ib/pvv 2020 doen de erven een beroep op de doorschuifregeling van art. 4.17a Wet IB 2001. Volgens hen vormt het hele vermogen van de holding ondernemingsvermogen. De inspecteur merkt een deel aan als beleggingsvermogen. In geschil is of de doorschuifregeling juist is toegepast.
Geen vertrouwen door erfbelasting
De erven stellen dat zij vertrouwen mogen ontlenen aan de aanslag erfbelasting. Daarbij is voor de bedrijfsopvolgingsregeling het volledige vermogen van de holding als ondernemingsvermogen aangemerkt. De rechtbank volgt dat niet. Een standpunt van de inspecteur voor de schenk- en erfbelasting bindt de inspecteur voor de inkomstenbelasting in beginsel niet. Dat kan anders zijn bij bijzondere omstandigheden, maar die hebben de erven niet aannemelijk gemaakt. Daarom slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel niet.
Geen ondernemingsfunctie aangetoond
De rechtbank beoordeelt de resterende middelen als liquide middelen. De erven moeten aannemelijk maken welke functie deze middelen in de onderneming hebben. Dat lukt niet. Verwijzen naar corona en latere belastingschulden is onvoldoende. Zij maken niet inzichtelijk hoeveel liquide middelen nodig zijn om de onderneming draaiende te houden. De aanslag is daarom niet te hoog vastgesteld en het beroep is ongegrond.
Wet: art. 4.16 en art. 4.17a Wet IB 2001
Bron: Rechtbank Noord-Nederland, 02-06-2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:2131, LEE 24/5037 | NDFR





Geef een reactie