Rechtbank Den Haag oordeelt dat het in rekening brengen van belastingrente in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. De erfgename mocht er door toedoen van de inspecteur van uitgaan dat zij pas aangifte erfbelasting kon doen nadat zij een bsn had verkregen.
Een erflaatster overlijdt op 27 december 2022. De vrouw in deze zaak is een van de dertig erfgenamen en woont in Nieuw-Zeeland. Zij beschikt op dat moment niet over een burgerservicenummer (bsn). Het verkrijgen daarvan kost veel tijd: eerst is een woonplaatsverklaring via de Nederlandse ambassade nodig. Pas op 7 augustus 2023 krijgt de vrouw een bsn. De aangiften van alle erfgenamen worden op 10 oktober 2023 ingediend, binnen het verleende uitstel. De aanslag wordt conform de aangifte opgelegd, met 7.089 belastingrente. In geschil is of die rente terecht in rekening is gebracht.
Belastingrente blijft achterwege
Op grond van art. 30g AWR is in beginsel terecht belastingrente berekend, omdat de aangifte meer dan acht maanden na het overlijden is ontvangen. Onder bijzondere omstandigheden kunnen de beginselen van behoorlijk bestuur echter meebrengen dat geen rente in rekening mag worden gebracht. De rechtbank stelt vast dat de vrouw er door toedoen van de inspecteur steeds van uitging dat pas aangifte kon worden gedaan nadat zij een bsn had. De executeur zocht meermaals contact met de Belastingtelefoon om een alternatief, maar kreeg dat niet en werd enkel naar de website verwezen, die erop wees dat eerst een bsn nodig was. Pas in bezwaar en verweer bleek dat een voorlopige aanslag of papieren aangifte zonder bsn ook mogelijk was. De vrouw is voortvarend geweest en mag geen nadeel lijden doordat zij het door de Belastingdienst gewenste gedrag volgde. Het in rekening brengen van belastingrente is daarom in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt de rentebeschikking.
Wet: art. 30g AWR
Bron: Rechtbank Den Haag, 22-04-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:15688, AWB – 24 _ 8662 | NDFR





Geef een reactie