Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de concernregeling voor de werkkostenregeling kan worden toegepast op een groep staatsdeelnemingen zonder dat andere, niet-verbonden overheidsdeelnemingen hoeven mee te doen. Een collectiviteitskorting mag daarentegen niet in mindering komen op de waarde van verstrekte reisfaciliteiten.
Zes vennootschappen behoren tot een groep die zich vooral bezighoudt met reizigersvervoer per spoor en de exploitatie van stations. De Staat is uiteindelijk aandeelhouder van de groep. Op grond van de cao hebben werknemers, oud-werknemers en hun gezinsleden recht op verschillende reisfaciliteiten. Vanaf 2015 passen de vennootschappen de werkkostenregeling toe. De inspecteur legt over 2015 tot en met 2019 naheffingsaanslagen loonheffingen op. Volgens hem behoren de verstrekte reisfaciliteiten tot het loon, mag daarop geen collectiviteitskorting in mindering worden gebracht en kan de concernregeling niet worden toegepast. In hoger beroep is onder meer in geschil of de collectiviteitskorting de waarde van het loon verlaagt en of de concernregeling kan worden beperkt tot de betrokken groep.
Geen aftrek collectiviteitskorting
Het hof oordeelt dat de reisfaciliteiten hun grond vinden in de dienstbetrekking en daarom tot het loon behoren. De collectiviteitskorting verlaagt de waarde daarvan niet. Uit de stukken blijkt namelijk dat de korting alleen geldt voor grote zakelijke klanten die specifieke reisproducten afnemen. Voor de verstrekte Dal-abonnementen en losse treinreizen kan zo’n korting niet worden bedongen. Ook de bijzondere waarderingsregel voor branche-eigen producten leidt daarom niet tot aftrek van de collectiviteitskorting.
Redelijke toepassing concernregeling
De letterlijke tekst van art. 32 Wet LB brengt mee dat ook de Staat en andere overheidsdeelnemingen tot hetzelfde concern behoren. Het hof vindt die uitkomst echter niet passend. Andere overheidsdeelnemingen zijn op geen enkele wijze financieel, organisatorisch of economisch verweven met de betrokken groep. Een redelijke wetstoepassing brengt daarom mee dat zij niet aan de concernregeling hoeven deel te nemen. De concernregeling kan worden beperkt tot de moedermaatschappij en haar concernonderdelen. Beide hoger beroepen zijn gegrond en de naheffingsaanslagen worden verminderd.
Wet: art. 10, art. 13 en art. 32 Wet LB 1964
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11-08-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:5301, 25/858 tot en met 25/883 | NDFR





Geef een reactie