Nederland mag een Duits pensioen belasten voor zover de opbouw berust op premies die in Duitsland aftrekbaar waren. De Hoge Raad laat het oordeel van het hof in stand dat dit 45% van de uitkering is.
Een man woont en werkt van 1 januari 1980 tot en met 13 april 1997 in Duitsland. In die periode is hij verplicht verzekerd voor de Deutsche Rentenversicherung. In 2018 woont hij het hele jaar in Nederland en ontvangt hij ouderdomsuitkeringen uit dit Duitse pensioen. De inspecteur rekent het volledige bedrag van deze uitkeringen tot het belastbare inkomen uit werk en woning. De man stelt dat de premies die hij voor het Duitse pensioen heeft betaald, in totaal voor 45% aftrekbaar waren voor de Duitse loon- en inkomstenbelasting. Volgens hem mag Nederland daarom ook maar 45% van de uitkering belasten. In geschil is of de inspecteur de volledige Duitse pensioenuitkering in de Nederlandse heffing mag betrekken.
Aansluiting bij aftrekbare premies
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht art. 3.82 Wet IB 2001 toepast. Die bepaling regelt wanneer uitkeringen uit een buitenlandse pensioenregeling in Nederland als loon worden belast. Voor zover de aanspraak in het buitenland onder een met de Nederlandse omkeerregel vergelijkbaar systeem valt, mag Nederland de latere uitkering belasten. Het hof heeft vastgesteld dat 45% van de Duitse pensioenpremies aftrekbaar was. De inspecteur heeft dat onvoldoende gemotiveerd bestreden. Daarom blijft het oordeel in stand dat Nederland slechts 45% van de Duitse pensioenuitkering mag belasten.
Geen periodieke uitkering
De staatssecretaris voert nog aan dat het Duitse pensioen geen pensioenregeling is, maar een socialezekerheidsuitkering of een andere publiekrechtelijke uitkering. Dan zou de uitkering volgens hem volledig belast zijn als periodieke uitkering. De Hoge Raad volgt dat niet. Het hof heeft de stellingen van partijen zo mogen uitleggen dat niet in geschil is dat het Duitse pensioen berust op een pensioenregeling. Daardoor komt de regeling voor periodieke uitkeringen niet aan bod. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Wet: art. 1.7 lid 2 onderdeel c, art. 2.14 lid 1, art. 3.81, art. 3.82 en art. 3.100 lid 1 onderdeel a Wet IB 2001
Bron: Hoge Raad 19 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:961, 22/04928 | NDFR





Geef een reactie